Liturgie

DE LITURGIE IN DE KERK (I)
Mogelijk kijkt u wat vreemd aan tegen het opschriftje dat iedere maand de frontpagina van ons Kerknieuws siert: “Viering van de heilige Liturgie In de Hervormde kerk te Ginneken”. Het zou ons niet verbazen als u dat, al dan niet geïrriteerd, uitlegde als een hobby- istische, precieuze dikdoenerij, waar we toch ook het ouderwetse woord “Predik beurten” of het wat neutralere “”Kerkdiensten” konden gebruiken
Dat we “predikbeurten” niet gebruiken is logisch: Het is een eenzijdige nadruk op de preek, terwijl we toch zoveel meer in de kerk doen dan alleen maar preken c.q. luisteren naar een preek. We zingen en we bidden samen we vieren de Maaltijd des Heren of zijn getuigen bij het Dopen van kinderen. Maar waarom dan niet kerkdiensten? Heel eenvoudig, omdat het te neutraal is.
Nee, we kozen voor “Viering van de heilige Liturgie” omdat daar alles mee gezegd wordt. Wat is immers liturgie? Het antwoord op die vraag is niet: een beetje meer zingen en opstaan en gaan zitten dan in andere “gewone” diensten. Het antwoord vinden we in het Griekse woordenboek. ‘Leitourgia’ betekent primair Dienst aan de staat, waartoe vermogende burgers op eigen kosten verplicht waren. Daaruit komt de tweede betekenis voort: Vriendendienst. En tenslotte het nieuwtestamentische woord voor Kerkelijke dienst. Dat wil dus zeggen dat de apostelen het geheel van handelingen In de samenkomst der gemeenten (gebed,lied,lezing,maaltijd) zagen als een werk ten behoeve van de gemeenschap.
Letterlijk betekent het woord liturgie dus: dienst aan het volk voor het volk. Nog letterlijker: wèrk voor het volk. In de kerk zijn we dus in een wèrkplaats. Daar duidt ook de samenvattende benaming voor de voorwerpen die bij de Eredienst gebruikt worden op: het Gereedschap voor de Eredienst: bijbel, tafel, doopvont, schaal en beker etc.
In de eredienst zijn we dus hard aan het werk (niet alleen de predicator en de collectanten, de ouderlingen en de diakenen, maar de hele Gemeente). Wat is dan dat werk voor het volk? Dat is een heilig werk. Daarom Heilige Liturgie. Het is anders dan al het andere wat je voor de gemeenschap kunt doen, het is op God betrokken. En wat doe je dan precies? Wij allen, daar in die kerk, trekken de wereld in Gods lichtkring en maken God beschikbaar voor de wereld door Gods heil te vertalen naar de begrippen van de gewone mens, en door naar Christus aanwijzingen zijn Offerdood en Overwinning present te maken. Omdat God en het heil in Christus geen “dingen” zijn waar we over kunnen beschikken, duikt telkens het gebed op, de smeking, de “Epiklese”, de aanroeping van de Heilige Geest om ons (arme zondaars, maar desondanks door Gods genade er daartoe aangewezen priesters) te doen gelukken Gods hemel voor de wereld open te krijgen, opdat Gods licht de wereld beschijnt. Dat is een heel zwaar werk.
En desondanks noemen wij het een “Viering” want het is een groot féést om zó Gods medewerkers te zijn.

DE LITURGIE IN DE KERK (II).
Nog even terugkomend op het feit dat de Liturgie een heilig werk, een “karwei” is ten dienste van de wereld, mogen wij een passage citeren uit het dankgebed aan het eind van de zogenaamde Basilios- liturgie In de Oosters Orthodoxe kerk:
“Christus onze God, naar de mogelijkheid van onze kracht hebben wij de mysteriën van uw heils economie volbracht en beëindigd. Wij hebben de ware gedachtenis gevierd van uw dood en de voorafbeelding geschouwd van uw Opstanding…”
Uit de terminologie die hier gebezigd wordt blijkt duidelijk, hoe de dienst wordt ervaren als iets wat inspanning vraagt, inzet van de hele mens. De Kerk is als een huismoeder, die de kostelijke vaste spijze van het heil voor haar kinderen zo voedzaam mogelijk op tafel brengt. Maar wíj zijn samen die moeder de kerk, die het heil bemiddeld voor de wereld. Wij moeten ons dus samen inspannen.
Om te zien wat die inspanning behelst willen we nu stap voor stap het gebeuren In de zondagse liturgie gaan volgen. Dat begint eigenlijk al thuis, vóór het naar de kerk gaan. Het mooiste zou zijn als u zich thuis al in uw ochtendgebed erop voorbereidt, wat u straks samen met de anderen In de kerk gaat doen als één liturgerende gemeenschap. Dat geeft al een doelbewuste vastberadenheid om “er iets van te maken”. Het zal dàn ook minder vaak voorkomen, dat u na de Dienst teleurgesteld opmerkt: Ik heb er niets aan gehad. Niet de voorganger maakt immers de Dienst maar wij allen samen.
Goed, en dan komt u In de kerk. Als u vroeg bent -en waarom ook niet? – ziet u nog wat laatste voorbereidingen: de organist stemt nog enkele tonen van het orgel bij, de liturg zoekt de Schriftlezingen op, de koster brengt kerkboeken voor gàsten (niet voor de vaste huisgenoten!) in orde. U begroet uw broeders en zusters, maar we maken er geen sociëteit van: we zijn niet op de markt, we zijn in een plaats van gebed.
Zo bereiden we ons nog eens ten laatste voor, terwijl de organist begint te spelen, niet ter begeleiding van ons geklets (s.v.v.), maar om de sfeer te zuiveren, zoals vroeger In de tempel de wierook werd gebruikt.
Dan is het grote ogenblik daar: het introïtuslied, de psalm van de intocht wordt ingezet. Allen staan op, teken van bereidheid, en zingen de psalm die juist deze zondag markeert. Met die psalm staan we dan in de rij der geslachten, die vóór ons ook met dit heilige werk bezig zijn geweest, met hen die na ons komen en het later zullen voortzetten.
De ambtsdragers komen binnen…

DE LITURGIE IN DE KERK (III)
Als de dienstdoende ambtsdragers In de kerkeraads banken zijn aangekomen – zij blijven staan om de introituspsalm met de gemeente mee te zingen -, duurt het nog maar enkele ogenblikken voor de liturg het choor betreedt voorafgegaan door de ouderling van dienst. Deze geeft de liturg een hand als teken dat de kerkenraad namens de gemeente aan hem de verantwoordelijkheid voor de dienst overdraagt. Dus niet een vorm van sterkte wensen. Zo geeft de liturg na afloop van de dienst aan de ouderling een handdruk: hij geeft de verantwoordelijkheid weer terug. Er zijn in andere gemeenten wel eens gevallen geweest dat de ouderling de handdruk weigerde. Hij was het niet eens met de preek van de dominee. Duidelijk een geval van niet begrijpen wat je doet.
De liturg buigt dan midden op het choor naar het oosten.- dus niet dat het kruis of naar de altaartafel maar naar het oosten, teken van bewustheid, dat het om de Heer gaat en niet om mensenwerk.
Intussen loopt de Psalm ten einde. De dienaar spreekt het Votum waarmee de Dienst van een gewone samenkomst tot een Dienst is bestempeld, een bijeen zijn in de Heer. Aansluitend zegt de liturg de Groet, zo sprekend namens God om ons te begroeten. En dan gaat het “ergon”, het werk, beginnen.
Dat werk is allereerst dat we in het reine moeten komen met onze Heer en met de medemens. Daarom de schuldbelijdenis ten overstaan van de triomferende kerk (heiligen en martelaars in heerlijkheid, omgeven door engelen en aartsengelen) voor God en voor de mensen hier op aarde. Een schuldbelijdenis want we hebben door gedachten, woorden, daden en nalatigheid het werk van God aan de herschepping van de wereld belemmerd. De gemeente neemt het gebed van de liturg over als het hare door de smeekbede: Here, erbarm u onzer!
Daarna verleent de Heer aan zijn gemeente absolutie, de vergeving der zonden. – Hierna worden de glorie van God en/of de weerloosheid van Gods kinderen weergegeven In de Psalmlezing, waarmee we ons weer scharen in de rijen van de Kerk der eeuwen, met deze woorden uit de Oudtestamentische gemeente. En dan wordt dit eerste deel van het grote liturgische gebeuren van dit werk-voor-het-volk afgesloten met het Klein Gloria, waarbij men het hoofd buigt als eerbetoon aan de Die-enige, wiens eer men bezingt. We zingen niet alleen met de mond maar met het hele lichaam. Daarna gaat de gemeente zitten. Het is een lang staan zo aan het begin van de Dienst, maar het is nodig, we kunnen niet zomaar slordig bij God in huis neervallen. – Het zitten In de kerk is trouwens pas drie eeuwen in zwang. In de oosters orthodoxe kerk zit men nog steeds helemaal niet onder de Dienst.

DE LITURGIE IN DE KERK (IV)
Na het klein Gloria waarmee de psalm lezing besloten is gaat de gemeente zitten. Het is als een hofceremonieel: de Koning geeft het teken dat we nu ons thuis mogen voelen en ìs het dat ook niet: een verkeerde op de Berg der verheerlijking, de Thabor aan het hof van de Koning der Koningen?
In een gebed, het gebed van de zondag, wordt de specifieke nood van de gemeente in dit tijdeigen aan de orde gesteld. Als een soort antwoord worden dan de “Koninklijke Geschriften” gelezen. Koninklijke Geschriften? Ja! Veel te weinig realiseren we ons hoe vorstelijk de bijbel is, antwoord op de allerdiepste vragen. En het is geen knus onderonsje, het is orders ontvangen en bemoediging en inwijding van de Heer van het Leven. Dus: De Schriftlezingen. Drie. Het zouden er wel 10 mogen zijn. Dat gebeurt óók wel, in de Paasnacht bijv. Maar met minder dan drie kun je niet volstaan. Ook het Profetisch woord, bij voorkeur uit het Oude Testament, moet naast het Epistel en het Evangelie worden gehoord. En straks in de preek moet de klank van alle drie de Lezingen doorklinken. Onder een Gezang dat slaat op één van de lezingen begeeft de liturg zich naar de kansel.
Nu gaat het “snijden van het Woord” beginnen, zoals onze voorouders dat zeer scherp formuleerden. Het brood moet gesnéden worden: we eten als koningskinderen, niet als wilde beesten. Maar die arme predicator, hij is een “mannetje uit het stof verrezen” zoals Calvijn zei. Daarom eerst nog weer een gebed, een scherpe smeking om een scherp en puntig mes om het Woord dan ook inderdaad “recht te snijden”. Natuurlijk is de preek goed voorbereid theologisch-wetenschappelijk èn gelovig, maar de Heer moet spreken niet dat domineetje. En dan komt de verkondiging; een loflied, een stuk vakwerk, een wanhoopskreet, al naar het moet. Maar het is alleen goed, als Iedereen in de kerk méédoet, luisterend, mediterend, biddend, terwijl de pastoor preekt.
Of dat inderdaad gebeurd is, is te proeven uit hoè de gemeente daarna het Credo zingt of zegt. Inderdaad gedragen door het “Laten wij nieuw elkander zo liefhebben, dat wij eendrachtig ons geloof kunnen belijden”? Dat is Credo is ‘hoge’ taal, zo hoog dat velen moeite met die woorden hebben. Dat is niet zo vreemd: het zijn oude, klassieke formuleringen, vèr verwijderd van ons technocratisch- gereglementeerde denken. Maar zwijg niet, doe mee, ja doe maar mee met uw ‘oudere en wijzere broeder/zuster, die het wèl volmondig zingt, want het zijn de ‘wachtwoorden’ der Mysteriën, waarmee je binnenkomt in Gods hart ……en hij in het uwe!

DE LITURGIE IN DE KERK (V)
Na het credo volgen de afkondigingen. Er zijn kerkgangers die zich daar aan stoten: het is zo triviaal tussen al het hoge dat we in de Kerk zeggen en doen. Dat is een aesthetische benadering, die geen recht doet aan het praktische, realistische karakter van de Liturgie. We zijn immers In de Liturgie aan het wèrk, we werken ons in het zweet om dit heilswerk voor het volk, voor de mensen klaar te krijgen; het is geen rococo affaire, het is zákelijk. Daarom horen die zakelijke mededelingen er evenzeer bij als het glaasje water op de kansel: wij zijn mensen van vlees en bloed en dat gewone leven van de gemeente is het leven van de door God geroepen arbeiders (die wij samen zijn in de Dienst) om dit karwei te klaren. – Even vulgair is ook het geld dat wij dan geven in de dienst der Offerande. Vroeger waren het gaven in natura waarvan dan de wijnen het brood voor het sacrament werden afgenomen bestemd voor de armen, maar eer dat bij de armen was, was het mogelijk al oudbakken. Dan kunnen we beter geld geven dat de diakenen vers brood of wat dan ook kunnen kopen of doen kopen voor de noden in de wereld. Maar het is geen gewone ‘collecte’, het is een daad van jezelf geven, d.i. van je eigen leven geven aan de Heer ten behoeve van zijn werk. Wat hier precies de bedoeling van is, begrijpt ieder die met aandacht het verhaal van wat men In de offerkist in de tempel wierp leest in Marcus 12: 41 – 44. Die arme weduwe geeft maar een duit, maar het is haar hele levensonderhoud. In het Grieks staat er “haar hele leven”. In de dienst der Offerande doen we een sacramenteel ding: wij geven ons ten offer aan de Heer opdat wij delen kunnen in zijn Offer, dat immers direct aansluitend in de viering van de Heilige Dis present wordt gesteld. Het is eigenlijk een offergang. In sommige kerken gebeurt dat ook (o.a.in de H. Kruiskerk in Rozendaal), dat iedereen naar voren komt om zijn gave te geven zoals later in de dienst om de gaven te ontvangen.

DE LITURGIE IN DE KERK (VI)
Terwijl nu de gaven worden ingezameld zingt de Gemeente; Het is een blij werk: te geven aan de Heer en te zien hoe zijn Tafel in alle overvloed wordt toebereid. De Liturg haast zich naar het wasbekken om zich de handen en het gelaat te wassen. Dat is geen kwestie van hygiëne, maar een harde herinnering aan psalm 24:3,4 a: wij mogen de Berg Thabor pas naderen als wij zuiver van Hart zijn. Dan nadert de Dienaar tot de tafel, waarvoor hij eerbiedig knielt en die hij kust als was het laken erop de zoom van Christus’ gewaad. Na een stil gebed wendt hij zich tot het diaken die hem vanaf de prothesis (de dientafel) de schaal met het gesneden brood geeft. Wat er dan verder gebeurt zien we de volgende keer. Maar u mag best weten dat het aangrijpend is wat een mens daar doet.

DE LITURGIE IN DE KERK (VII)
Deze keer is er wat meer ruimte en hoeven we niet zoals een lezeres zei, het verhaal te onderbreken net wanneer het spannend wordt. Om te beginnen moeten we een omissie rechtzetten in aflevering IV (pagina ..) spraken wij over het Credo. Daarbij lieten wij na de aandacht te vestigen op een gebruik in onze Gemeente om tijdens het zingen van het credo op twee plaatsen in deze geloofsbelijdenis te buigen, namelijk bij het mysterie van Christus’ geboorte uit de maagd Maria, en bij het mysterie van de Opstanding. Dat zijn nl. de twee Geheimenissen die ons tot grote aanbidding brengen: dat God mens wordt om ons leven te delen, en dat de Heer verrijst uit de dood die hij aan ons leven heeft opgelopen. Hij komt het te boven en ontsluit daardoor voor ons de mogelijkheid om ook schuld en dood te boven te komen. – dat wij onze aanbidding tonen op deze wijze, met die buiging, is om ons eraan te gewennen dat de Dienst van God geen zaak van het intellect, van de geest alleen is, maar een ons hele leven omvattend gebeuren, zowel naar lichaam als naar ziel.
Nu de draad weer omvattend van onze uiteenzettingen over het gereed maken van de tafel des Heren, willen wij aanknopen bij de laatste opmerking in het vorige nummer over hoe aangrijpend het is wat een mens daar mag doen. Om dat aangrijpende goed af te schermen, opdat het van onbegrip en spot gevrijwaard blijft, heeft men in de kerk van Oost Europa in de kerk een zogenaamde iconostase gebouwd waardoor wat de liturg doet ter voorbereiding van de tafel des Heren door de gelovigen niet gezien wordt, ook al wéét men wel wat er gebeurt. Wat er gebeurt, zowel daarginds als in onze traditie, is een eerbiedig werk. Bij ons is dat het breken van het brood dat door de diaken van de prothesis (dientafel) aan de liturg wordt aangereikt. Dat brood is naar een oude traditie heel edel brood (verfijnd krentenbrood zonder krenten). Het is tevoren in repen gesneden van 1,5 bij 1,5 bij 20 cm. De dienaar legt nu op beide “uitreikschalen” het aantal repen dat hij denkt nodig te hebben. Die zal hij straks in brokken breken. Maar eerst breekt hij één reep in tweeën, die hij in T-vorm rangschikt op de “troon” (het opgevouwen servet midden op de Tafel). Daarna breekt hij de andere repen.
De Diaken reikt hem nu de kan met wijn (zoete Spaanse wijn) waarmee hij de bekers vult. Intussen zijn de gaven ingezameld door de Diakenen. De Dienaar neemt die in ontvangst en draagt ze met een stil gebed als de zelfofferande der Gemeente aan God op. Zoals u zich zult herinneren waren dat vroeger gaven in natura.
Is dit gebeurd dan vangt de zg. canon van de Viering aan. Ingeleid door een aantal responsen die nog teruggaan op de oude Joodse vieringen volgt het grote “eucharistisch gebed” (Grieks, betekent: dankgebed), waarin God voor zijn liefde en genade wordt bedankt ‘inzonderheid in deze tijd’ wat er dan uitgewerkt wordt in het kader van het klimaat van die bepaalde zondag. Dan reikt ineens de Tafel des Heren tot in de hemel of ook: dan daalt de hemel neer: “Daarom met engelen en aartsengelen en het ganse hemelse heir zingen wij de lofzang uwer heerlijkheid”, overgenomen door de engelenzang uit Jesaja 6:3 “heilig heilig heilig” door gecomponeerd met de lofzangen van het volk ( Matth. 21:9b) bij de intocht in Jeruzalem. Samen met zgn. Sanctus en Benedictus. Een hoogtepunt in de Viering: nu komt de Hoogheilige Heer met zijn waarachtig Lichaam en Bloed intocht bij ons houden. – In de Oosters-orthodoxe Liturgie wordt hier de zogenaamde Cherubijnenzang gezongen: ”wij die de cherubijnen verbeelden”.
Nu is het de tijd voor onze gebeden. Voor de ontslapenen (zie inzet, die bisschop uit Macedonië).
Bij de intocht riep het volk “hosanna” Daarover de volgende keer.

DE LITURGIE IN DE KERK (VIII)
Wat zich tijdens het zingen van het sanctus en Benedictus afspeelt is eigenlijk een present stellen van Christus’ intocht in Jeruzalem. Hij houdt intocht in zijn Gemeente. En zoals men toen riep “hosanna”(Ontferm U”) , zo mogen wij nu om zijn genade smeken in onze gebeden. Allereerst voor de ontslapen. Als protestanten is dat voor vele nieuwkomers in onze gemeente wat vreemd. “Wij bidden toch niet voor de overledenen” – heet het dan. – Dat is nu juist een groot verlies bij de Reformatie, hoe begrijpelijk het toen ook was, die afschaffing. Maar het heeft zich gewroken: hier is o.a. het spiritisme een onbetaalde rekening van de kerk. Want de liefde houdt met de dood niet op, zij zoekt een weg om zich te betonen. Welnu, dat kàn toch: wij strekken in dit gebed tot de Heer de handen uit naar hen die ons hier op aarde lief waren. Zo is er die gemeenschap waar we ons geliefde gezang 303 vers 5 van spreekt:
Na dit gebed volgt dan het grote bidden voor alle nood in de wereld, gevolgd door het Onze Vader waarbij het kleine klokje luidt om het te verkondigen: “wij hebben contact met de Heer” Daarna komt dan het gebed dat essentieel is voor de Viering van de Maaltijd: de roep om Gods Geest, opdat wij waarlijk Christus tegenwoordig mogen weten. Dat is zo belangrijk dat wij als het ware de hemel bestormen. Vandaar die huiveringwekkende opklimmende toon. Dit gebied heet Epiklese.

DE LITURGIE IN DE KERK (IX)
Het laatste gebed dat wij de vorige keer bespraken was er zogenaamde Epiklese. Dat is: de aanroeping van de Heilige Geest. Wanneer die roep tot de geest is uitgegaan, roept de gemeente in het “Agnus Dei” Christus, het heilig Godslam, aan om zijn ontferming, om zijn vrede, opdat wij, arme zondaars nu met een blij hart tot de mysterieuze Maaltijd “van over de grens” mogen naderen. Nòg weten we ons onwaardig. Vandaar het Tafelgebed van de liturg, gebaseerd op Matth. 8:8, “Heer, ik ben niet waard….”. Daarna vallen de consecratie-woorden, vroeger altijd beschouwd als “nú gebeurt het”, maar nu beter onderkend als constateringen. Niet van gedàànteverandering, maar van een “transvaluation”, een wáárdeverandering, zoals wijlen aartsbisschop Fisher van de Anglicaanse Kerk het noemde. Dus geen magisch transsubstantiatie-moment, maar een uitroepen van het wonder, dat door onze hele viering het aardse brood en de aardse wijn een waarde en betekenis hebben gekregen van “au delà”, zodat de Heer ons in deze heilige tekenen aanraakt. Consecratie wil dus zeggen: proclameren, dat dit brood en deze wijn aan de Heer behoren, dat wij in de communie die nu, na de nodiging, gaat volgen, gemeenschap met de Heer hebben. Op dezelfde wijze worden wij in de Doop aangeraakt met het Bloed, d.i. de dood, van de Heer. Wij ontvangen het brood op de geopende , òngeschoeide hand. Passend is het om “Amen” te zeggen na de uitreikingswoorden. Daarover en over het voorhoofdskruisje de volgende keer.

DE LITURGIE IN DE KERK (X)
Wij eindigden de vorige keer met de opmerking dat het gepast was om “Amen” te zeggen na de uitreikingswoorden van de liturg. Er zijn méér mogelijkheden: “Mijn Heer en mijn God” bijvoorbeeld, of “Ik geloof”. In ieder geval nìet het ongetwijfeld vriendelijke bedoelde, maar in deze situatie toch wel erg burgerlijke “Dank u wel”, wat we nogal eens horen, vooral van ‘vreemdelingen’. Het zeggen van Amen of een van de andere hier genoemde vormen is heel zinvol, omdat het vieren van de Maaltijd toch wel heel nadrukkelijk een geloofsdaad is.
Ons bereikt nogal eens de vraag waarom aan sommigen wèl en aan anderen géén voorhoofdskruisje wordt gegeven door de dienstdoende liturg. Het betreft hier een pastoraal zegengebaar, dat niet wezenlijk voor de Viering van de Maaltijd is, maar soms heel zinnig kan zijn, omdat het de onderlinge verbondenheid en de betrokkenheid op het leven van gelovigen onderstreept. Het zal u direct duidelijk zijn, als we de normen noemen waaronder het verlenen van het kruisje valt. Ten eerste krijgen alle kinderen het, ze zijn nog zo pril, zo open voor duizend invloeden, dat wij hen in het midden van de Gemeente koesteren als ons kostbaarste goed. Voorts wordt een kruisteken gegeven aan allen die erom vragen door zichzelf met een kruisteken te beschrijven, een intense laatste voorbereiding op het communiceren. Dan ontvangen ook degenen van wie we weten dat ze in grote moeilijkheden of angsten verkeren of voor een grote beslissing of stap staan, zoals bijv. een naderend huwelijk, het kruisje. ER zullen misschien stemmen opgaan, die zeggen dat alles overbodig is wanneer je toch het Lichaam en Bloed van de Heer als spijze van God ontvangt. Het lijkt ons een te dogmatisch standpunt. Wij vormen immers samen het waarachtige Lichaam van de Heer; wij zijn het Gezin van God. Dat betekent dan toch ook, dat we in liefde verbonden zijn. Zo moet dat kruisteken dus ervaren worden, als een teken van onderlinge verbondenheid en liefde. Wij herinneren ons in dit verband, dat er kerken zijn, waar men zittend rond de Tafel de Maaltijd pleegt te vieren, maar waar men vooraleer de schaal met het Brood wordt doorgegeven de links en rechts zittenden de hand reikt: allen zijn met elkaar verbonden. – Ten overvloede: dit gebruik is niet afkomstig uit de Orthodoxe Kerk, (hoewel men zich daar veelvuldig bekruist), om de heel praktische reden, dat de gelovigen zich vlak voor de Communie niet bekruisen omdat ze dan de uitreiking van de Gaven (op een lepel) zouden kunnen verstoren, en omdat de priester geen hand vrij heeft om het kruisteken te geven, daar hij de lepel vast moet houden.
Na het ontvangen van het Brood èn van de Wijn – wij hechten bijzonder aan de Communie onder beide gedaanten, omdat de Heer het zó heeft ingesteld, en ook omdat de in de ME ontstane katholieke gewoonte van alleen de Brood-communie een nodeloos en gevaarlijk onderscheiden van geestelijken en leken in de hand werkt, omdat de priester immers wèl onder twee gedaanten communiceert – begeven wij ons weer naar onze plaats. Zodra ook de laatste gelovige weer op zijn plaats is teruggekeerd en de ambtsdragers het choor hebben verlaten, staan allen op om de Tafelzegen te ontvangen, waarin gesproken wordt van de vrede Gods, die alle verstand, alle begrip te boven gaat. Dat is een belangrijke herinnering aan het feit dat we met een mysterie te maken hebben, niet met een zakelijke handeling, hoezeer onze communie ook te maken heeft met de grote Zaak van God. Maar wij hebben niet met een “akkefietje” te maken, doch met een onvoorstelbare genade-daad van de Levende aan arme stakkers van mensjes, nl. dat wij onszelf aan de Heer mogen offeren, ons als zijn lichaam aan Hem ter beschikking stellen, waarop God ons spijzigt met de gaven van Christus’ Lichaam en Bloed, opdat wij beter samen Christus’ Lichaam zullen kunnen zijn.
Er is in de Viering van de Maaltijd dus een dubbele beweging: ons komen tot God- daarom blijven we ook niet in de bank zitten om daar het Brood en de Wijn te ontvangen, zoals in sommige kerken helaas gebeurt – ,en omgekeerd Gods komen tot ons.
Na de tafelzegen volgt het dankgebed,weer In de klimmende en klemmende toon, en de Lofzang van Simeon, naar de Latijnse beginwoorden: het Nunc Dimitttis.

DE LITURGIE IN DE KERK (Xa)
De nummering van deze aflevering van onze ‘feuilleton’ is wat merkwaardig. Wij geven daarmee aan, dat we hier nu – bij gebrek aan ruimte- geen nieuwe stof gaan behandelen, slechts een toelichting geven op wat wij gedaan hebben en nog te doen hebben in deze rubriek. Wij behandelden de Hoogdienst van Schrift en Tafel. Niet uitputtend weliswaar- er moet nog wat toelichting komen op het tweerichtingsverkeer in de Communie – , maar toch wel bruikbaar, naar wij menen. – Na de hierboven genoemd nadere toelichting gaan we ons dan in de komende afleveringen nog bezig houden met de betekenis van het Doopritueel, alsmede de Liturgie van bijzondere diensten zoals Huwelijk, Uitvaart, Avondgebed etc.

DE LITURGIE IN DE KERK (XI)
In nummer 11 van de tweede jaargang van dit blad besloten we de behandeling van de Dienst van Schrift en Tafel. Bij nader inzien was het laatste gedeelte over het zg. twee-richtingsverkeer in de communie een beetje te compact en beknopt. Daarom willen we hier daar nog wat nader op ingaan. Daarbij gaan we uit van de term die bij het vieren van de Maaltijd des Heren vaak gebruikt wordt: “het Lichaam van Christus”. Om nu goed te verstaan wat er in het mysterie van de Heilige Dis gebeurt, is het nodig te weten dat die term ‘Het lichaam van Christus’ twee dingen kan betekenen in het Nieuwe Testament, nl. zoals de Heer die term zelf gebruikt bij de inzetting van het Avondmaal: “Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt” en zoals Paulus, sprekend over de Kerk (Rom. 12,5; 1 Cor. 10,16v.; Cor. 12,13) als het Lichaam van de Heer, waarvan wij allen de leden (ledematen, lidmaten zijn).
Nu moet u zich even voor de geest halen dat de Maaltijd is Heren ook Eucharistie, dat is Dankzegging, wordt genoemd. Dat is een bij ons protestanten wel ernstig verwaarloosd aspect van dit mysteriemaal, maar als u dat dankzeggings-aspect nu goed vasthoudt, dan kunt u zich voorstellen dat wij wanneer wij op Gods nodiging tot de Maaltijd van zijn Zoon komen, daar allereerst komen om God te danken voor het mógen naderen tot Hem en het Hem kùnnen danken voor al zijn zegeningen en zijn Heil. Wij, die samen het lichaam van Christus (is: de Kerk) zijn, komen tot de Maaltijd om ons ter beschikking te stellen van ons Hoofd, de Heer Jezus. Want daar gaat het om, dat wij als zijn vrienden Hem ter beschikking staan. Hij is het Hoofd, wij zijn de leden. En net zoals mijn eigen armen en benen te mijner beschikking moeten zijn,- anders ben ik verlamd of ziek-, zo moeten wij de handen en voeten van de Heer zijn. Wij geven ons daartoe aan hem in die Maaltijd uit dankbaarheid, uit Eucharistia, omdat Hij ons zijn heil deelachtig heeft gemaakt.
En wat gebeurt er nu? net zoals wij aardse spijzen tot ons nemen om ons lichaam in stand te houden – immers zonder voedsel kùn je niet – zo ook spijzigt ons God met de hemelse spijzen van het Brood des levens en de Drinkbeker der onsterfelijkheid (is: het Lichaam en Bloed van Christus) onder de gedaanten van brood en wijn.
Was er dus eerst een komen van ons tot God om ons beschikbaar te stellen, om ons te geven in die Communie aan onze Heer – wanneer wij dan gekomen zijn, komt God tot òns in die spijzen van het Lichaam en Bloed van Christus om ons zo opnieuw deelachtig te maken aan zijn goddelijke kracht opdat wij beter dat “Lichaam-van- Christus-zijn” (dat is: ons Kerk-zijn) in de praktijk gestalte kunnen geven, doordat wij nieuwe kracht hebben opgedaan.
Bij verschillende gelegenheden zullen de accenten iets verschuiven. Op Witte Donderdag bijvoorbeeld ligt heel duidelijk het accent op ons beschikbaar zijn om met de Heer mee te sterven en zo onze schuld te boeten in zijn dood. Op Pasen ligt het accent veel meer op het wonder van met Hem levend te mogen worden, dus op zijn komen tot òns. In dagen van nood zal de Communie voor ons als de krachtspijs zijn die een verzwakt en stakkerig mens tot zich moet nemen om op krachten te komen. Maar in dagen van grote blijdschap en dankbaarheid ligt het zwaartepunt veel meer op het nu extra uit erkentelijkheid voor Gods liefde en zorg ons ter beschikking van de Heer geven. Alle accenten kunnen altijd aanwezig zijn, al zal naar gelang van de soort kerkdienst de ene keer dit, de andere keer dat element de boventoon voeren.
Het is altijd nog verdrietig dat veel mensen uit traditiegebondenheid nog niet tot een trouwe deelname aan de Heilige Dis komen, want juist in deze Maaltijd komt zo sterk de éénheid van het Lichaam van Christus tot uiting. En waar, zoals op grote interkerkelijke bijeenkomsten die Viering naar verschillende ritus geschiedt volgens voorschrift van de deelnemende kerken – dus gescheiden – is dat een aanklacht!

Ds Van den Bosch, dé dagsluiter

 

THEMAKRANT GELOOF EN ONGELOOF (editie 11, december 2021)
door Mieke van der Jagt
Zoek in een oud woordenboek het woord ‘dagsluiter’ op en je hebt een goede kans dat je dominee Van den Bosch tegenkomt. Hij was decennialang degene die met een bemoedigend woord de radio-uitzendingen van de NCRV beëindigde.

In die tijd – lang voordat een samenwerking tussen KRO en NCRV mogelijk leek – deden de meeste omroepen nog ijverig aan identiteitsduiding. De VARA liet rond 12.00 uur De Stem des Volks De Socialistenmars zingen, de KRO zette een priester in en de AVRO had G.B.J. Hiltermann. Alleen de VPRO, hoewel in naam nog vrijzinnig protestants, begon het over een andere boeg te gooien.

Ds Van den Bosch was ook predikant in het middeleeuwse hervormde kerkje van Ginneken, het aan Breda vastgegroeide dorp waar ik geboren en getogen ben. Hoewel wij thuis niet heel bijzonder kerks waren, gingen we toch naar de zondagsschool, een soort dienstje dat vooraf ging aan de echte dienst. Van den Bosch deed een preekje, las een stukje voor (niet noodzakelijk uit de Bijbel) en we zongen de leukere liedjes uit het gezangboek.

Hazaël

Met Kerst deed de dominee extra zijn best. Dan verzon hij een verhaal over het engeltje Hazaël, dat zich elk jaar op een andere manier in de nesten werkte. Het was altijd spannend en het liep altijd goed af.

In 1991 heb ik Van den Bosch voor de PZC een keer gesproken over dat engeltje Hazaël. Hij vertelde dat hij het kerstverhaal nogal afgezaagd vond omdat de kinderen dat al honderd keer op school hadden gehoord. Hij verzon liever een kind met alledaagse gebreken dat toch altijd kon rekenen op de onvoorwaardelijke liefde van God.

‘Belachelijk’

Bij diezelfde gelegenheid heb ik het met hem ook gehad over een voorval dat mij als tienjarige nogal had verbaasd. Van Den Bosch was erg lang uit de running geweest en had met hartklachten in het ziekenhuis gelegen. Toen hij weer thuis was moesten wij, de leerlingen van de hervormde Dr de Visserschool, in het plantsoen voor zijn huis staan zingen: ‘Dankt, dankt nu allen God met blijde feestgezangen’. Van den Bosch: ,,Ja, dat weet ik nog. Belachelijk!”

Foto: Ds A.C.D. van den Bosch. | Foto Stadsarchief Breda, A. Henning.

Tags:

 DagsluiterDs Van den BoschGinnekenNCRV